Spelregelwedstrijd Arbitraal

Spelregelwedstrijd Arbitraal seizoen 2016-2017

 

 Ronde 1

Ronde 2 Ronde 3 Ronde 4 Ronde 5 Ronde 6

 1B,2D,3B,4D,5C              1B,2D,3C,4B,5A             1D,2A,3D,4B,5C              1x,2C,3B,4D,5D              1C,2A,3C,4B,5A              1C,2D,3A,4C,5B

 

 


 

Beste lezers,

Aangezien dit de laatste ronde was, is het tijd om een eindstand op te maken. In de eindstand zijn de deelnemers opgenomen die alle 6 de rondes hebben gemaakt. De eindstand is als volgt:

  1. Eric Oosterom, 29 punten;
  2. Anton Bogers, 28 punten;
  3. André Werrelmann, 26 punten;
  4. Johan Suurd, 25 punten;
  5. Jan Fleerakkers & Frans van de Nieuwenhof, 22 punten;
  6. Toon Hendriks, 17 punten.

Bij deze willen we alle deelnemers bedanken voor hun inzet en hopelijk tot volgend seizoen!

De spelregelwedstrijd Arbitraal 2016-2017 is er weer. In nr. 7 van arbitraal zal de eerste ronde worden gepubliceerd. Net als de voorgaande jaren zal de wedstrijd uit zes rondes van vijf vragen bestaan. Meedoen is eenvoudig: u mailt de antwoorden binnen drie weken na publicatie in Arbitraal naar: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. (dit is het mailadres van de spelregelcie). Ook worden de spelregelvragen per mail verstuurd, hierdoor hopen we op meer respons.
De spelregelcommissie verzamelt de antwoorden en houdt de scores bij. Na drie ronden wordt in arbitraal een tussenstand getoond. Op de jaarlijkse feestavond zal de winnaar bekend worden gemaakt.
In het kort:
 - 6 ronden
 - 5 meerkeuzevragen
 - 1 goed antwoord per vraag
 - 1 punt per goed beantwoorde vraag
De vragen komen uit de spelregels, de interpretaties en de besluiten die de KNVB publiceert. Uiteraard tellen ook de meest recente spelregelwijzigingen mee. Over de uitslag kan worden gecorrespondeerd, maar dat wil niet zeggen dat u gelijk krijgt. De spelregelcommissie, die uitgesloten is van deelname, houdt het laatste woord.
Veel succes met uw deelname.

De spelregelcommissie


  

Ronde 1 (oktober 2016):

Let op: Per vraag is slechts één goed antwoord mogelijk!  

Vraag 1:
Op slag van rust wordt een doelpunt gemaakt. De scheidsrechter kent de treffer toe, maar in plaats van nog te laten aftrappen fluit hij onmiddellijk af voor de rust. Terwijl iedereen nog op het speelveld is, krijgt de referee via de headset van zijn assistent te horen dat de aanvaller het doelpunt  bewust met de hand heeft gemaakt. Wat moet de scheidsrechter nu beslissen als hij het advies van zijn assistent-scheidsrechter overneemt?

A. Hij annuleert het doelpunt en laat de spelers gaan rusten.
B. Hij annuleert het doelpunt, toont de aanvaller een gele kaart en laat de spelers gaan rusten.
C. Hij annuleert het doelpunt, toont de aanvaller een gele kaart en laat een directe vrije schop nemen op de plaats waar ‘hands’ was gemaakt. Onmiddellijk hierna fluit hij af voor de rust.
D. Hij kent een doelpunt toe, want hij had gefloten voor de rust.

Vraag 2:
Op het moment dat de bal de grond raakt bij een scheidsrechtersbal, trapt een speler de bal rechtstreeks in eigen doel. Hoe moet het spel verder?

A. Doelpunt.
B. Scheidsrechtersbal opnieuw nemen.
C. Indirecte vrije trap voor de aanvallende partij.
D. Hoekschop.

Vraag 3:
Een trainer van een amateurclub komt nabij de middenlijn het speelveld in en bemoeit zich in grove bewoordingen met de leiding van de scheidsrechter. De scheidsrechter onderbreekt hiervoor het spel. Hoe zal hij verder moeten handelen?

A. Hij laat de trainer door de aanvoerder achter de afrastering zenden en hervat het spel met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was.
B. Hij zendt de trainer weg, maar toont hierbij geen kaart. Vervolgens laat hij het spel hervatten met een indirecte vrije schop vanaf de plaats waar de bal was, toen hij het spel onderbrak.
C. Hij toont de trainer de gele kaart en laat het spel hervatten met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de trainer was, toen hij het spel onderbrak.
D. Hij zendt de trainer weg door het tonen van de rode kaart en laat het spel hervatten met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was toen hij het spel  onderbrak.

Vraag 4:
In welke van de volgende situaties dient het spel te worden hervat met een indirecte vrije schop? 

A. Te hoog trappen op het moment dat een tegenstander de bal wil koppen en waarbij de tegenstander wordt geraakt.
B. Een tegenstander duwen.
C. Een tegenstander proberen te laten struikelen.
D. Spelen op gevaarlijke wijze.

Vraag 5:
De aanvoerder van één van de partijen kan de wedstrijd wegens een blessure niet voortzetten. Geen van zijn partijgenoten wil zijn functie overnemen. Wat beslist de scheidsrechter?

A. Hij wijst er zelf een aan.
B. Hij vraagt een bestuurslid er een aan te wijzen.
C. Hij laat doorspelen.
D. Hij staakt de wedstrijd.

 

Ronde 2 (november 2016):

Let op: Per vraag is slechts één goed antwoord mogelijk! 

Vraag 1:
Wanneer is een fluitsignaal nodig?

A. Bij het toekennen van een doelpunt.
B. Om het spel te hervatten nadat het spel onderbroken is voor het tonen van een kaart.
C. Om het spel te laten hervatten met een vrije schop.
D. Bij het toekennen van een hoekschop.
 

Vraag 2:
Net buiten het strafschopgebied wordt een aanvaller door een tegenstander bij zijn shirt vastgepakt, omdat de aanvaller hem dreigt te passeren. Op de lijn van het penaltygebied laat de tegenstander de aanvaller weer los, waardoor de aanvaller valt. In deze situatie is sprake van een duidelijke scoringskans. De scheidsrechter fluit af en moet:

A. Een directe vrije schop toekennen en een gele kaart tonen.
B. Een directe vrije schop toekennen en een rode kaart tonen.
C. Een strafschop toekennen en een gele kaart tonen.
D. Een strafschop toekennen en een rode kaart tonen. 

Vraag 3:
Wie bepaalt op welk doel de serie strafschoppen na het einde van een wedstrijd wordt genomen?

A. De scheidsrechter
B. De partij die bij de aanvang van de wedstrijd de beginschop nam, wordt door de scheidsrechter aangewezen.
C. De winnaar van de ‘eerste’ toss voor aanvang van de strafschoppenserie.
D. De partij die bij de aanvang van de tweede helft de aftrap nam, wordt door de scheidsrechter aangewezen. 

Vraag 4:
Als na een beslissingswedstrijd strafschoppen moeten worden genomen, raakt de doelman bij het reageren op de tweede strafschop met zijn hoofd de doelpaal en kan hierdoor niet meer verder spelen. Mag de reservekeeper nu de plaats van de doelverdediger in nemen?

A. Dat mag altijd
B. Dat mag wel; mits er nog geen drie spelers van het team in de wedstrijd zijn vervangen.
C. Dat mag niet.
D. Er zijn geen voorschriften. 

Vraag 5:
Een speler van het aanvallende team geeft een verre voorzet richting een ploeggenoot. Deze neemt net in het strafschopgebied de bal aan. Een paar seconden daarna komt een verdediger wild inspringen. Met een te hoog geheven knie raakt hij zijn tegenstander fors in de rug. Hij overschrijdt met deze sprong de meer dan noodzakelijke inspanning en daarbij neemt hij tevens het risico zijn tegenstander te blesseren. Wat zal de scheidsrechter beslissen?

A. De scheidsrechter kent een strafschop toe en toont de overtreder een rode kaart voor het op buitensporige wijze springen naar de tegenstander.
B. De scheidsrechter fluit af en geeft een indirecte vrije schop voor het spelen op gevaarlijke wijze.
C. De scheidsrechter kent een directe vrije schop toe voor het aanvallen met een te hoog geheven been, waarbij hij zijn tegenstander raakt.
D. De scheidsrechter geeft een strafschop en toont de overtreder een gele kaart voor het onbesuisd aanvallen van zijn tegenstander. 

 

Ronde 3 (december 2016):
Let op: Per vraag is slechts één goed antwoord mogelijk! 

Vraag 1:
Twee tegenstanders trappen tegelijk de bal, waarna deze terechtkomt bij een speler van de aanvallende partij, die strafbaar buitenspel staat. Deze benut zijn kans en schiet de bal in het doel. Wat beslist de scheidsrechter?

A. Doelpunt toekennen.

B. Scheidsrechtersbal.

C. Hoekschop.

D. Buitenspel en doelpunt afkeuren.

Vraag 2:
Een speler wisselt buiten het speelveld van schoeisel. Wanneer en waar mag hij tijdens het spel het speelveld weer betreden?

A. Nadat hij toestemming heeft gekregen van de scheidsrechter vanaf (elke plek op) een zijlijn.

B. Nadat hij toestemming heeft gekregen van de scheidsrechter alleen ter hoogte van de middenlijn.

C. Nadat hij toestemming heeft gekregen van de scheidsrechter vanaf iedere willekeurige plaats.

D. Nooit, omdat het spel moet zijn onderbroken.

Vraag 3:
Terwijl de bal in het spel is, spuwt de doelverdediger, die zich binnen het eigen strafschopgebied bevindt, een tegenstander, die zich buiten het strafschopgebied, maar binnen het speelveld bevindt, in het gezicht. Welke maatregelen moet de scheidsrechter nemen?

A. De doelverdediger wordt van het speelveld gezonden en het spel wordt hervat met een strafschop.

B. Indirecte vrije schop op de plaats waar de doelverdediger zich bevond, alsmede het wegzenden van de doelverdediger.

C. Directe vrije schop op de plaats waar de doelverdediger zich bevond, alsmede een waarschuwing aan de doelverdediger.

D. De doelverdediger wordt van het speelveld gezonden en het spel wordt hervat met een directe vrije schop vanaf de plaats waar de tegenstander zich bevond, toen hij werd bespuwd.

Vraag 4:
Ploeg A bouwt vanuit het eigen strafschopgebied een aanval op. Speler B van deze ploeg speelt de bal op een gegeven moment met een flinke trap richting de speelhelft van ploeg B. Op dat moment staat de midvoor van ploeg A wel tien meter achter de voorlaatste verdediger van ploeg B. De voorlaatste verdediger ziet de verre bal op zich afkomen en met een hoge sprong weet hij de bal achterover te koppen richting zijn eigen doelverdediger. De midvoor pikt de bal op en weet zo te scoren. Wat moet de scheidsrechter beslissen?

A. De scheidsrechter keurt het doelpunt af wegens buitenspel en kent een indirecte vrije schop toe.

B. De scheidsrechter keurt het doelpunt goed, omdat hier geen sprake is van strafbaar buitenspel.

C. De scheidsrechter keurt het doelpunt af wegens buitenspel, kent een indirecte vrije schop toe en toont de midvoor een gele kaart wegens onsportief gedrag.

D. De scheidsrechter fluit al af op het moment dat de bal in de richting van de buitenspel staande midvoor wordt gespeeld en hervat met een indirecte vrije schop.

Vraag 5:
Tijdens het spel komt de bal tegen de assistent-scheidsrechter aan, die op de zijlijn loopt. Hierdoor blijft de bal in het speelveld. Een speler pakt de bal in zijn handen en wil inwerpen. Wat moet de scheidsrechter nu beslissen?

A. Inworp normaal uitvoeren.

B. Scheidsrechtersbal, omdat er van een vergissing sprake is.

C. Directe vrije schop wegens het spelen van de bal met de hand.

D. Directe vrije schop wegens het spelen van de bal met de hand en een waarschuwing door het tonen van de gele kaart wegens onsportief gedrag. 

 

Ronde 4 (januari 2017):
Let op: Per vraag is slechts één goed antwoord mogelijk! 

Vraag 1:
Tijdens de wedstrijd loopt een wisselspeler het veld in om de plaats in te nemen van een speler, terwijl het spel gewoon doorgaat. De scheidsrechter ziet dit en hij onderbreekt hiervoor het spel. Hij stuurt de wisselspeler terug naar de zijlijn en laat hem pas weer toe nadat de speler die vervangen wordt het speelveld heeft verlaten. Hoe zal het spel nu hervat moeten worden?

A. Met een directe vrije schop voor de andere partij op de plaats waar de bal was toen het spel werd onderbroken.

B. Met een indirecte vrije schop tegen de wisselspeler op de plaats waar de wisselspeler stond toen hij werd teruggestuurd.

C. Met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was toen het spel werd onderbroken.

D. Met een scheidsrechtersbal op de zijlijn.

Vraag 2:
Tijdens het spel begaat een aanvaller een overtreding binnen het speelveld tegen een assistent-scheidsrechter. Hoe zal het spel hervat worden nadat de scheidsrechter het spel heeft onderbroken en de aanvaller een rode kaart heeft getoond?
 

A. Hij laat het spel hervatten met een indirecte vrije schop op de plaats van de overtreding.

B. Hij laat het spel hervatten met een indirecte vrije schop op de plaats waar de bal was toen het spel werd onderbroken.

C. Hij laat het spel hervatten met een directe vrije schop op de plaats van de overtreding.

D. Hij laat het spel hervatten met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was toen het spel werd onderbroken.

Vraag 3:
Terwijl de bal in het spel is, raken een aanvaller en een verdediger aan het vechten in het doel achter de doellijn in de zogenaamde netruimte. De verdediger heeft de eerste klap gegeven. De scheidsrechter fluit af. Wat beslist hij?
 

A. Beide spelers wegzenden en hervatten met een strafschop.

B. Beide spelers een waarschuwing geven en hervatten met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was.

C. Beide spelers een waarschuwing geven en hervatten met een strafschop.

D. Beide spelers wegzenden en hervatten met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was.

Vraag 4:
Een speler is door de scheidsrechter naar de kant verwezen om zijn uitrusting in orde te maken, dan mag de speler het veld weer betreden als:

A. Als hij tijdens het spel een teken krijgt van de vierde official

B. Als hij tijdens het spel een teken krijgt van de scheidsrechter

C. Als hij tijdens het spel een teken krijgt van de eerste assistent-scheidsrechter

D. Als het spel is onderbroken 

Vraag 5:
De scheidsrechter geeft 
een teken dat een hoekschop kan worden genomen. Er staan twee medespelers bij de bal. Speler A probeert de tegenpartij te misleiden door even de voet op de bal te zetten. De bal beweegt, maar gaat daarbij niet uit het hoekschopgebied.  Medespeler B loopt vervolgens snel met de bal aan de voet richting doel en scoort.  Wat moet de scheidsrechter beslissen?

A. Hij kent het doelpunt toe.

B. Hij keurt het doelpunt af, omdat de bal niet duidelijk bewoog toen speler A met de voet op de bal stond en laat de hoekschop overnemen.

c. Hij keurt het doelpunt af, omdat de bal niet uit het hoekschopgebied ging toen speler A de bal het tikje gaf en laat het spel hervatten met een indirecte vrije schop voor de tegenpartij vanuit het hoekschopgebied.

d. Hij keurt het doelpunt af, toont beide spelers een gele kaart wegens misleiding en hervat het spel met een scheidsrechtersbal bij het hoekschopgebied.  

Ronde 5 (februari 2017):
Let op: Per vraag is slechts één goed antwoord mogelijk!  

Vraag 1
Bij het nemen van een strafschop wordt de doelverdediger misleid, doordat op het moment van schieten de strafschopnemer iets roept. Wat beslist de scheidsrechter als de bal in het doel gaat?

A. Strafschop overnemen en de strafschopnemer ontvangt de gele kaart.

B. Doelpunt toekennen.

C. Indirecte vrije schop tegen de strafschopnemer en de strafschopnemer ontvangt de gele kaart.

D. Directe vrije schop tegen de strafschopnemer.

Vraag 2
Steunend op een medespeler probeert een speler de bal te koppen. Hoe zal de scheidsrechter hierop reageren wanneer hij hiervoor het spel heeft stil gelegd?

A. Spel hervatten met een indirecte vrije schop op de plaats van de overtreding en een waarschuwing door het tonen van de gele kaart.

B. Spel hervatten met een indirecte vrije schop.

C. Doorspelen. Hij raakte de bal niet.

D. Spel hervatten met een directe vrije schop voor de tegenpartij.

Vraag 3
Er moet een lijntje op de doellijn worden aangebracht buiten het speelveld, om de scheidsrechter te helpen vast te stellen dat de afstand van 9.15 meter in acht wordt genomen. Deze 9,15 meter dient te worden gemeten vanaf:

A. De lijn die de begrenzing van het strafschopgebied vormt.

B. Het centrum van hoekschopgebied.

C. De kwartcirkel.

D. De hoekvlagstok.

Vraag 4
De scheidsrechter stuurt een speler van het veld en laat hervatten met een indirecte vrije schop. In welke situatie heeft de scheidsrechter juist gehandeld?

A. Bij het spuwen (niet raak) naar een tegenstander.

B. Bij het op grove wijze beledigen van een tegenstander.

C. Bij een poging te trappen naar een tegenstander.

D. Bij het even vasthouden van een tegenstander.

Vraag 5
Een verdediger staat op de doellijn en wil de bal trappen met zijn voet, maar dit mislukt en de opspringende bal komt tegen de onderarm. Hierdoor blijft hij in het bezit van de bal en voorkomt een doelpunt. De scheidsrechter moet nu:
 

A. Niet ingrijpen, maar doorspelen

B. De speler bestraffen met een strafschop wegens hands. De speler ontvangt bovendien een gele kaart.     

C. De speler bestraffen met een strafschop wegens het spelen van de bal met de hand.

D. De speler bestraffen met een strafschop wegens hands. De speler wordt van het veld gezonden door het tonen van de rode kaart voor het voorkomen van een doelpunt.

Ronde 6 (maart 2017):
Let op: Per vraag is slechts één goed antwoord mogelijk! 
Beste deelnemers: Het kan snel gaan. De zesde en laatste ronde van onze eigen spelregelwedstrijd. Veel succes!

Vraag 1
Een wisselspeler (twaalfde speler) loopt van de spelersbank het speelveld in. In zijn eigen strafschopgebied trapt hij een tegenstander. De scheidsrechter heeft het trappen van deze speler zien gebeuren. Hoe reageert hij?

  1. Hij onderbreekt het spel, troont de wisselspeler een rode kaart en hervat met een scheidsrechtersbal.
  2. Hij onderbreekt het spel, toont de wisselspeler een rode kaart en hervat met een indirecte vrije schop.
  3. Hij onderbreekt het spel, toont de wisselspeler een rode kaart en hervat met een strafschop.
  4. Hij onderbreekt het spel, toont de wisselspeler een gele kaart en hervat met een scheidsrechtersbal.

Vraag 2
De scheidsrechter toont een speler een gele kaart en hervat het spel met een indirecte vrije schop. In welke situatie heeft de scheidsrechter juist gehandeld?

  1. Als de speler een discriminerende opmerking maakt tegenover de assistent-scheidsrechter.
  2. Als de speler een medespeler spuwt.
  3. Als de speler een tegenstander op grove wijze beledigt.
  4. Als de speler aanmerkingen maakt op de leiding.

Vraag 3
In de rust wisselt vereniging A een speler. Dit wordt volgens de regels aan de scheidsrechter gemeld. Als de ploegen klaar staan voor de aftrap, beledigt de wisselspeler van A, die dus net het veld ingekomen is, de scheidsrechter. Hij wordt weggestuurd door het tonen van de rode kaart. Mag de wisselspeler worden vervangen als ploeg A nog niet alle wisselspelers heeft verbruikt?

  1. Dat zou wel mogen bij het begin van de wedstrijd, niet bij het begin van de tweede helft.
  2. Dat zou wel mogen als de belediging buiten het veld had plaatsgevonden; in deze situatie niet.
  3. Dat mag; het spel is nog niet hervat; de wissel is nog niet onherroepelijk.
  4. Dat mag, zolang de wisselspeler de bal nog niet heeft gespeeld.

Vraag 4
Tijdens een oponthoud meldt een te laat komende basisspeler zich volgens de regels bij de scheidsrechter. Beiden staan dan binnen het speelveld. De scheidsrechter controleert het schoeisel van betreffende speler en geeft hem op grond daarvan geen toestemming mee te doen. Daarop beledigt de speler de scheidsrechter. Wat beslist de scheidsrechter?

  1. Hij zendt de speler van het speelveld door het tonen van de rode kaart, maar laat een invaller toe, omdat het spel ‘dood’ was, toen de scheidsrechter beledigd werd.
  2. Hij zendt de speler van het speelveld door het tonen van de rode kaart, maar laat een invaller toe, omdat de speler nog niet meegespeeld had, toen hij de scheidsrechter beledigde.
  3. Hij zendt de speler van het speelveld door het tonen van de rode kaart, maar laat geen invaller toe, omdat de te laat komende speler geacht wordt deel uit te maken van zijn ploeg.
  4. Hij zendt de speler van het speelveld door het tonen van de rode kaart, maar laat geen invaller toe, omdat dat nooit kan als iemand de scheidsrechter beledigt.

Vraag 5
Tijdens een beslissingswedstrijd kent de scheidsrechter een indirecte vrije schop toe aan de aanvallende partij, op 16 meter van het doel van de tegenpartij. De aanvaller die de free kick neemt, schiet hem rechtstreeks naar het doel van de tegenpartij. Een op de doellijn staande verdediger, niet zijnde de doelman, stompt de bal met de vuist over het doel, voordat de bal de doellijn is gepasseerd. Wat zal de scheidsrechter nu moeten beslissen?

  1. Hij zal een strafschop toekennen aan de aanvallende partij en de verdediger van het speelveld zenden door het tonen van de rode kaart.
  2. Hij zal een strafschop toekennen aan de aanvallende partij en de verdediger een waarschuwing geven door het tonen van de gele kaart.
  3. Hij zal een hoekschop toekennen aan de aanvallende partij en de verdediger een waarschuwing geven door het tonen van de gele kaart.
  4. Hij zal een hoekschop toekennen aan de aanvallende partij en de verdediger van het speelveld zenden door het tonen van de rode kaart.